Bjarne.nl

New Zealand – Het Zuidereiland deel 2

Stop 12: Queenstown

Zoals gezegd vielen we met regen in slaap en zo werden we ook wakker. Een snelle blik op het weerbericht leerde dat tegen 10 uur de wolken plaats zouden maken voor de zon. Op naar Queenstown dus. Dit stadje is gelegen aan het Wakatipumeer, het langste meer van New Zealand. Hier is het skydiven en bungeejumpen uitgevonden, dus wij vonden het waard de locatie eens te bekijken. Het centrum ligt aan het meer en is een leuk dwaalgebied om doorheen te lopen. Wat opvalt is het grote gehalte sportkledingwinkels, boekbureaus voor extreme sporten en al dan niet fastfood restaurantjes. In de kleine haven lagen 3 jetboats en een drietal rondvaartboten te wachten op mensen. Aangezien de in grote getale aanwezige chinezen maar al te graag mee wilden gok ik dat ze goede zaken draaiden. Wij kozen echter om de speedboten aan de kant te laten liggen en met de skilift naar boven te gaan. Deze skilift bevatte naast ruimte voor 4 personen ook een drietal haken voor downhill mountainbikes, dat gezien het flinke aantal met modder besmeurde fietsers ook een populaire sport is in dit gebied. Wij kozen echter voor een anders soort downhillactiviteit. Op de berg, met een prachtig uitzicht, ligt namelijk een Lugebaan. Voor degenen die deze activiteit niet op Facebook voorbij hebben zien komen het afgelopen voorjaar een kleine uitleg: Het meest lijkt een Luge op een sommerrodelbahn; een karretje met enkel een rem in een stalen goot die zigzaggend van een berg afgaat. Het verschil tussen een Luge en een sommerrodelbahn is dat een Luge voorzien is van een stuur en de stalen goot vervangen is door een twee meter breed betonnen parcours. Door middel van de zwaartekracht ga je dus naar beneden en hoe minder je remt en hoe beter je stuurt, hoe sneller je naar beneden gaat.
We hebben de twee banen die aanwezig waren elk een keer gedaan en dit is ook weer een aanrader. Geen extreme sport, maar wel een leuke vakantiebezigheid. Na op het terrasje van het uitzicht te hebben genoten en weer zo’n lekkere cappuccino te hebben verorbert, daalden we weer af richting het dal om onze camper in de richting van Milford Sound te sturen, het meest afgelegen stukje New Zealand dat we deze vakantie zullen bereiken. Na twee uur rijden belanden we op wederom een vrije campeerplaats, midden in de bergen. Waar we genoten van de nachtrust.

Stop 13: Milford Sound

Milford Sound, misschien wel het meest afgelegen stukje New Zealand dat je kunt bezoeken. Vanuit het dichtstbijzijnde dorpje Te Anau is het zeker twee uur rijden naar het punt dat enkel bestaat vanwege het Toerisme. Ongeveer elk kwartier vertrekt er vanuit hier een boot die het fjord bevaart richting zee. Onderweg volgt de uitleg van de gids die verteld over dit kleine stukje van het 3,2 miljoen hectare grote Werelderfgoedgebied aan het zuidwesten van New Zealand. Het is erg mooi om te genieten van zoveel onaangetast natuurgebied. We hebben het voor elkaar gekregen een fjord, Gletsjer en een regenwoud op één foto te krijgen (natuurlijk onder nadrukkelijk advies van de gids) en een breuklijn tussen twee tektonische platen gezien. Erg indrukwekkend en zeker de moeite waard om 5 uur voor om te rijden. Terwijl bussen vol chinezen aan kwamen rijden vanuit Queenstown (het stuk dat wij dus de dag ervoor met de camper hadden gereden), liepen wij naar buiten, op naar de camper voor een groot stuk rijden. Mooi om te weten is dat de weg tussen Te Anau is aangelegd gedurende 27 jaar. De 1,2 km lange tunnel die je doorrijd is aangelegd gedurende 24 jaar door een groep wegenbouwers die aanvankelijk met slechts 5 man en pikhouwelen aan de klus begonnen. Respect! Eenmaal in Te Anau aangekomen hebben we genoten van een heerlijke hamburger en zijn we doorgereden naar het stadje Gore, wat duidelijk over zijn glorietijd heen is. Voor $ 8,- mochten we op de parkeerplaats van een Country club staan, wat prima is voor een plekje met stroom, douche en toilet. De dag erop zouden we naar Dunedin rijden, een plek die al akelig dicht bij Christchurch, onze eindbestemming, in de buurt komt.

Stop 15: Dunedin

Dunedin – naar Dun Eidann, de Keltische naam van de schotse hoofdstad Edinburgh – is een grote universiteitsstad, maar voorheen was het een levendige fabrieksstad. In tegenstelling tot vele New Zealandse steden heeft het een erg Europese uitstraling met gebouwen opgetrokken uit Mergel. Nadat we het centrum drie keer rondgereden hebben op zoek naar een parkeerplek (dat toch erg tegenvalt met een 7.15m lange en 3 meter hoge bus in een stad vol parkeergarages) vonden we een goedkoop plekje op een met gravel bestrooid oud rangeerterrein achter het station. Via datzelfde station (wat erg luxe is uitgevoerd) vonden we onze weg naar het levendige centrum met veel oude gebouwen (relatief dan, de stad is pas in 1848 gesticht). Na de St. Paul’s Cathedral en “The First Church” – met erg geïnteresseerde en spraakzame vrijwilligers – te hebben bezocht kwamen we uit bij het Settlers museum. Hier werd op een erg mooie en moderne manier het verhaal van de schepping (volgens de Maori) tot en met het huidige digitale tijdperk uitgebeeld met behulp van bezittingen, huishoudelijke apparaten, muziek en transportmiddelen. Zo kun je hier een Maori-hut zien, maar er stonde.ook een oven uit 2014 en een iPad opgesteld. Na een drankje was het tijd om Dunedin vaarwel te zetten en op weg te gaan naar Oamaru.

Ps. De foto’s bij dit stukje zijn snel uitgezocht en niet perse de beste uit de serie. Zodra we weer in Nederland zijn zal ik de juiste foto’s bij het artikel plaatsen.

 

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2020 Bjarne.nl

Thema door Anders Norén